Ik droom van plekken die onzichtbaar zijn voor mijn ogen.
Al, zijn zij het, die worden bedrogen wanneer het voorbij is.
Ik blijf staan op de plek waar ik me minuten geleden bevond.
Ik denk niet dat mijn eigen leven op deze plek werkelijk bestond.
Al blijkt de plaats zo dichtbij te blijven staan.
Ik kan niet verder kijken dan de opgesloten wereld in maan
licht. Al is er niets dat mijn zicht verder kan verstoren.
Dan die niet verzonnen
dromen van plekken die niet dicht bij zijn.
Alleen daar waar ik me verloren kan voelen,
in een aanraking die verder weg is, dan de aanwezigheid doet vermoeden.
Het is alsof mijn handen zijn gevuld met sambal, waardoor ik steeds word herinnerd,
aan die plek. Mijn zicht wordt namelijk elke keer verhinderd,
als ik mijn ogen wrijf om mijn zicht scherp te stellen.
Ik durf te wedden
dat op deze plekken zelfs de sambal niet kan verbloemen,
wat er gebeurt als onze lichamen elkaar ontmoeten.
C.

Plaats een reactie