Soms wens ik even dat mijn gedachten op vakantie gaan, ver weg zodat ik even hier kan zijn.
Toch blijven ze maar rondjes rennen en missen ze telkens weer de trein.
Dan probeer ik het rennen te negeren en terug te keren naar mijn hoofd.
Echter lijken ze ook daar aanwezig en stuur ik ze dan maar naar de boot.
Hopend dat ze al daar van boord stappen en verdrinken, zodat ik eindelijk vrij ben.
Dan ben ik verlost van eindeloos fantaseren en volkomen zen.
Al weet ik dat bij het zien van de ramp; ik ze snel achterna spring.
Om een gemis van ze op te vangen, want zonder is niet echt mijn ding.
Daarom probeer ik maar mee te rennen, zodat ik van ze kan genieten.
Ook als ik ze momenteel niet echt kan gebruiken en wou dat ze me lieten.
Ja laat me maar gaan in de dingen die ik nu moet doen, voordat ik weer weg kan.
Dan ga ik de trein halen om mezelf blij te maken met al die hopeloze verhalen.
Aldaar bestaat er namelijk geen werkelijkheid en stop ik ze allemaal in een pan.
Om ze allemaal door elkaar te mixen, tot het niet meer bestaat; onderscheid.
Er bestaat geen parkoer voor deze gedachten, de grens tussen waar en niet is kwijt.
C.

Plaats een reactie