Als panda's kunnen vliegen

Ik vlieg door de dagen heen, zonder dat me iets ontbreekt.
Ik vlieg maar door, tot ik naar beneden kijk.
Ik zie een droge woestijn en ik ga op zoek naar water.
Ik kom namelijk tot de conclusie dat ik al heel lang geen water heb gezien.
Zolang ik naar voren kijk, maakt dat eigenlijk nooit wat uit.
Tot mijn voorwaartse blik wordt verstoord door een aanraking van de wind.
Ik daal wat naar beneden om de woestijn wat beter te bekijken.
Het is verleidelijk om neer te storten en me te laten zakken in het water van de fata morgana’s die hier en daar verschijnen.
Ik heb dat echter al wel eens eerder gedaan en achteraf bleek dat geen goed idee.
Daarom vlieg ik maar weer omhoog en hoop ik dat ik vergeet hoeveel behoefte ik eigenlijk heb aan water.
Ik probeer te vergeten dat er water bestaat en ik kijk weer recht door.
Regen valt soms op me neer, zonder dat het echt tot mij doordringt. De regen voldoet namelijk niet aan mijn wensen.
Hoe verder ik door vlieg, hoe kritischer ik word. Hoe verder ik vlieg, hoe meer de dorst de overmacht krijg. Ik verlies de macht over mijn vleugels en wijzig mijn koers.
Misschien moet ik me dan toch maar laten verleiden door het zoete water van een fata morgana?
Ik probeer echt sterk te blijven, maar iedere vliegende panda heeft zo haar behoeftes.
Al weet ik ook wel dat een fata morgana altijd tegen valt.
Al weet ik ook wel dat er ooit echt wel weer water in beeld komt.

C.

Plaats een reactie